Caresheet

Heterodon nasicus nasicus

Inleiding

Deze caresheet is bedoeld voor de westelijke haakneusslang (Heterodon nasicus nasicus). Een haakneusslang is een goed te houden reptiel. Het relatieve kleine formaat, nieuwsgierigheid en gedrag zijn daar de belangrijkste factoren bij. Door het oppakken en aandacht geven, zal de slang aan de mens wennen en minder stress hebben.

Een volwassen haakneusslang wordt gemiddeld 50 – 80 cm. In gevangenschap kan een haakneuslang ongeveer 12 tot 16 jaar worden. De standaardkleur bruin met witte accenten. Naast de standaardkleur zijn er ook verschillende mutaties die voor kleur variaties zorgen.

Kijk eerst goed rond voordat je een slang aanschaft. De slang moet een snelle tongbeweging hebben en alert zijn. Vaak kan je aan de tongbeweging zien of er iets met de slang aan de hand is. Zorg ervoor dat de slang een goed gewicht heeft en niet te dik is. Als de slang recht ligt en de schubben staan ver uit elkaar, is de slang te zwaar. Controleer de mond op mondrot en het lichaam op ongewone plekken en parasieten.

Afkomst

De westelijke haakneusslang komt van de graslanden in centraal Noord-Amerika. Overdag is de slang actief en als het donker is gaat de slang slapen. De haakneusslang leeft op de grond in de buurt van vers water.  

Huisvesting

Er zijn meerdere mogelijkheden om de slang te houden. Veel mensen doen de haakneusslang in een rekkensysteem. De reden hiervoor is dat de slang zich vaak veiliger voelt in een donkerder gebied, er zijn minder prikkels van buitenaf en de ruimte is kleiner. De bakken zijn voor volwassen dieren 60×30 cm of 60 x 50 cm. Jonge dieren worden vaak in kleine plastic bakken gehouden. Terrariums werken goed om het leefgebied na te maken, maar dit kan wel voor problemen zorgen. De slang kan meer stress krijgen, vanwege de vele ruimte. Als de slang wel erg goed leeft in een terrarium, kan versiering van het terrarium erg helpen om de slang bezig te houden.  Als bodembedekking wordt vaak zaagsel gebruikt, hierin kan de slang graven en zich verstoppen. Daarnaast is zaagsel makkelijk te verschonen.

Temperatuur

De temperatuur moet voor jonge dieren 25 tot 28 °C zijn en voor volwassen dieren 24 tot 31 °C zijn. De slang moet een warme en een koude kant tot zijn beschikking hebben, zodat hij zelf kan kiezen waar hij wil liggen. De verwarming moet met een warmtemat gedaan worden. Zorg ervoor dat de temperatuur niet te hoog wordt, anders kan de slang overactief zijn, zich verbranden en uitdrogen.

Vochtigheid

Het verblijf mag niet te vochtig worden, zodra dit wel gebeurt kan de slang infecties oplopen. Zorg er daarom voor dar er één vochtige plek is. Wij hebben alleen een waterbak(je) als vochtige plek, zodat ze kunnen drinken en wanneer nodig in het water kunnen zitten. Het water moet zich zo min mogelijk buiten het bakje komen, dit kan leiden tot hogere vochtigheid met als gevolg infecties.

Geslachtsonderscheid

De man heeft in verhouding een langere staart dan het vrouwtje en daarnaast loopt de staart meer af. Vaak is het alsof het vrouwtje heupjes heeft.

Man
Vrouw

Kweken

Winterrust

Het gebruik van winterrust is niet verplicht, maar wordt wel aangeraden als je gaat kweken et de slangen. De winterrust zorgt voor rijping van de geslachtscellen, waardoor de slang een hogere vruchtbaarheid heeft. Het begin van de winterrust is vaak vanaf half november.  Breng de temperatuur gedurende één of twee weken naar de 13 – 15°C. De winterrust duurt ongeveer acht weken, gedurende deze periode krijgt de slang geen eten. Twee á drie weken voordat de slang in de winterrust gaat, krijgt de slang geen eten. Zorg ervoor dat al het voedsel door ontlasting goed uit de slang is. Tijdens de winterrust werkt het lichaam van de slang niet optimaal, waardoor voedsel niet goed verteert kan worden en in het lichaam van de slang kan rotten. Na ongeveer acht weken kan de temperatuur langzaam omhoog gebracht worden. Zodra de temperatuur weer normaal is moet de slang erg goed gevoerd worden. Nadat de slangen een aantal weken goed gegeten hebben kan je het mannetje en vrouwtje bij elkaar zetten.

Paring

Na de winterrust wordt het koppel bij elkaar gezet, blijf erbij totdat je ziet dat het vrouwtje paargedrag vertoont. Beide dieren zullen plotselinge korte bewegingen maken, dit geeft aan dat beide graag willen. Als het vrouwtje niet wil kan het vrouwtje bijten en in sommige gevallen eet het vrouwtje het mannetje zelfs op, dit gebeurt alleen als het mannetje veel kleiner dan het vrouwtje is. Een mannetje kan op meerdere verschillende vrouwtjes in een jaar gezet worden.

Eieren 

Wanneer de paring is gedaan worden de eicellen bevrucht. De zaadcellen die de eicellen niet hebben bevrucht, kunnen door het vrouwtje bewaard worden tot ze weer vruchtbare eicellen heeft. Ongeveer drie tot vier weken na de bevruchting gaat het vrouwtje in een zogenoemde pre-lay shed, dit is de vervelling voor het leggen van de eieren. Zodra dit gebeurd moet er een bak met vochtig veenmos in het verblijf van de slang gedaan worden. Deze vochtige veenmos zorgt ervoor dat de slang goed vervelt en nog belangrijker dat de eieren, die in deze bak gelegd worden, genoeg vocht opnemen. Per legsel gaan wij uit van een gemiddelde van 8 tot 10 eieren, soms worden er maar een paar eieren gelegd en soms meer dan 25 eieren.  Er zijn meerdere methoden om de eieren op een goede vochtigheid te houden. Eén van de meest gebruikte manieren is de eieren in een mengsel van vermiculiet en water te doen. Wij maken dit mengsel met een verhouding van 1:1. Leg de eieren tot ongeveer de helft in het mengsel. Zodra je de eieren eenmaal hebt neergelegd laat ze altijd op dezelfde manier liggen anders gaan de diertje in de eieren dood of krijgen ze ernstige manipulaties.  Doe een deksel op het bakje. In deze deksel moeten wel erg veel gaatjes zitten, zodat het vocht dat verdampt niet weer terug op de eieren komt. Als het te vochtig wordt kunnen de eieren rotten en met te weinig vocht kunnen de eieren invallen. De temperatuur van de broedmachine moet 23 tot 26 °C zijn. De eieren komen na ongeveer 55 tot 65 dagen uit.

Het opkweken van de jonge slangen

De jonge slangen kunnen, zodra ze rondkruipen, in een nieuw bakje gezet worden. De voeding die ze uit het ei halen is ongeveer genoeg voeding voor tien dagen. Eerder eten geven kan geen kwaad, maar doe dit wel pas na de eerste vervelling. Geef de jonge dieren kleine muisjes van één dag. Soms is de buik van het slangetje nog niet goed geheeld. Laat het slangetje dan nog even op een vochtige plek, zoals bij de vochtige vermiculiet, zodat het buikje volledig kan helen.

Pin It on Pinterest